|
Scheld(e)woordenboek
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z A Aanwas Aan een kust of oever door afzetting van materiaal ontstane strook nieuw land. Agger Kortstondige rijzing van het zeewater gedurende de tijd van het eb.Meer uitleg :www.getij.nl Anadrome vissen Vissen die opgroeien in zee en zich voortplanten in binnenwateren. Archeologie Wetenschap die een bepaalde cultuur of samenlevingsvorm in een bepaalde periode in het verleden tracht te doorgronden met behulp van bodemvondsten en andere (stoffelijke) overblijfselen. Areaal Oppervlakte, grootte van een bepaald gebied. B baseflow De baseflow is het gedeelte van de de streamflow dat afkomstig is van "de som van de diepe ondergrond stroom en vertraagde ondiepe ondergrond flow". Het moet niet worden verward met grondwaterstroming. Bekkenbeheersplan Eeen gebiedsgerichte concretisering van een waterbeleidsplan of integraal waterbeheersplan, bv. het Waterbeleidsplan Vlaanderen dat in elk van de totaal 11 bekkens wordt opgemaakt. Bekkencomité (in Vlaanderen) Het bekkencomité verenigt vertegenwoordigers van de bestuursniveaus actief binnen het bekken en heeft de goedkeuring van de dossiers als taak. Het grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt ingedeeld in deelstroomgebieden of rivierbekkens. Er is sprake van 11 bekkens: het Ijzerbekken, het Bekken Brugse Polders, het Bekken Gentse kanalen, het Leiebekken, het Bovenscheldebekken, het Benedenscheldebekken, het Denderbekken, het Bekken Dijle en Zenne, het Demerbekken, het Netebekken en het Maasbekken. Van deze 11 bekkens, behoren enkel het Ijzerbekken, het Bekken Brugse Polders en het Maasbekken niet tot het Scheldestroomgebied. Beloodsing Voor de kust van Oostende en Westkapelle zijn opstapplaatsen voor zeeloodsen. Bij Vlissingen nemen rivierloodsen het roer over. Loodsplicht geldt voor schepen langer dan 80 meter. Via een walraderketen langs de Westerschelde is ‘loodsen op afstand’ mogelijk. Loodsen hebben kennis van getijden, stromingen, vaargeulen en communicatieprocessen in de havens. Voor de Belgische havens geldt geen loodsdwang. Loodstarieven worden in overleg met de ministeries (Nl en Be) bepaald. Tarieven en loodsplicht staan tegenwoordig ter discussie (2001). Beneden-Zeeschelde De Zeeschelde wordt in sommige rapporten opgedeeld in Beneden-Zeeschelde en Boven-Zeeschelde. Er worden twee grenzen gebruikt. De Beneden-Zeeschelde wordt in het ene geval vanaf Antwerpen tot aan de Belgisch-Nederlandse grens begrensd. Andere publicaties geven aan dat de Beneden-Zeeschelde loopt vanaf Schelle (Waar de Rupel in de Schelde uitmondt) tot aan de Belgisch-Nederlandse grens. Binnendijks (Nederlands) De landzijde van de dijk. Wordt vaak gebruikt in relatie tot natuurontwikkeling, direct achter de dijk.In Vlaanderen zijn binnendijkse gebieden gelegen aan de 'waterkant' van de dijk. Binnendijks (Vlaams) Aan de 'waterkant' van de dijk. Wordt vaak gebruikt in relatie tot natuurontwikkeling van schorren en slikken.In Nederland wordt het begrip gebruikt om de landzijde van de dijk aan te duiden. binnenwater Niet in zee uitmondende stroom. Biotoop Plaats waar een dier of plant geheel in zijn omgeving ingepast is / homogeen groei- of woongebied / Gebied met karakteristieke levensomstandigheden, gekenmerkt door een bepaalde flora en fauna. Bodem Het deel van de (zelf door verwering of afzetting gevormde) grond, dat onder invloed van het klimaat, de begroeiing en de fauna geleidelijk verandert. De bodem vinden we dus aan de aardoppervlakte. Boven-Schelde De Schelde van bron (Franse Gouy - ca.100 meter boven de zeespiegel) tot Gent (ca. 185 km). Geen invloed van het getij. Boven-Zeeschelde De Zeeschelde wordt soms opgedeeld in de Boven-Zeeschelde en de Beneden-Zeeschelde. De Boven-Zeeschelde is het gedeelte tussen Antwerpen en Gent. Er zijn echter ook rapporten die traject Schelle-Gent als Boven-Zeeschelde benoemen. Buitendijks (Nederlands) Aan de 'waterkant' van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurcompensatie: Buitendijkse natuurcompensatie is het ontwikkelen van natuurgebieden (voornamelijk schorren en slikkengebied) in de Westerschelde, tegen de oevers (dijk) aan.In Vlaanderen wordt het begrip buitendijks gebruikt om het gebied aan de landzijde van de dijk aan te duiden. Buitendijks (Vlaanderen) Aan de landzijde van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurontwikkeling. In Nederland wordt deze term gebruikt voor het gebied aan de waterkant van de dijk, in de rivier dus. C Cuesta Met cuesta wordt binnen de structurele geologie een asymetrische berg of heuvel bedoeld. De helling naar de ene zijde is steiler dan de helling 180° daarop. Een cuesta ontstaat geomorfologisch doordat de getesteentelagen parallel aan de bedding anders eroderen dan die loodrecht daarop. Een cuestafront is de steile helling van een cuest. D Decreet Verordening van overheidswege. In België: met wet op gelijke hoogte gestelde verordening uitgevaardigd door gemeenschapsraad en - executieve of door gewestraad en - executieve. Deelbekken De rivierbekkens worden opgedeeld in deelbekkens. Net als voor de bekkens, gebeurt de afbakening op basis van hydrologische en geomorfologische kenmerken. Deelstroomgebied Het gebied vanwaar al het over het oppervlak stromende water een reeks stromen, rivieren en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop (gewoonlijk een meer of een samenvloeiing van rivieren). Dekzandrug Lage duinrug ontstaan door de opeenhoping van dekzand. Het merendeel van deze hoogtes zijn ontstaan in de late ijstijd. Het landschap van de Vlaamse Vallei en zijn vertakkingen wordt gekenmerkt door lage oost-west gerichte dekzandruggen die ontstaan zijn door de werking van de wind in het Laat-Galciaal. De grootste zandrug strekt zich uit tussenMaldegem en Stekene. Delta Oorspronkelijk in een zee of meer gevormde opeenhoping van los materiaal. Ze onstaat als aan het uiteinde van een sterke stroom, het hierdoor meegenomen materiaal niet verder kan worden getransporteerd. Deltahoogte Na de overstromingsramp van 1953 heeft de Deltacommissie een veilige hoogte voor de waterkeringen (=dijken en duinen) vastgesteld. De commissie heeft bepaald dat in het Deltagebied de waterkeringen aan de norm 1/4000 moeten voldoen. Dat wil zeggen dat de waterkeringen een superstorm moeten kunnen doorstaan. Zo’n superstorm komt gemiddeld maar eens in de 4000 jaar voor. Op basis van deze veiligheidsnorm heeft men toen de kruinhoogte van de dijken berekend die nodig was om die veiligheid van 1/4000 per jaar te garanderen. In het Deltagebied moest in totaal ruim 160 km waterkering worden aangepakt, waarvan 25 km duinen. De ‘deltaversterkingen’ zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw afgerond. Diadrome vissen Vissen met trekgedrag van zee naar binnenwater en vice versa. Dijkval Afschuiving of verzakking van een dijkvak door onderspoeling. Meestal ontstaan doordat een diepe geul dicht langs de kust stroomt en bij eb de druk wegvalt zodat het zand onder de dijk in een vloeibare massa verandert. Donk Een hoger gelegen plek in het landschap. Veelal een zandheuvel in een rivierengebied. Dukdalf Zware, houten paalconstructie in een haven die dient om aan te meren of om de vaargeul aan te duiden. E Ecologie De leer van de relaties tussen levende organismen en hun omgeving. Ecologische toestand een aanduiding van kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met oppervlaktewater zijn verbonden, ingedeeld overeenkomstig bijlage V van de Kaderrichtlijn. Ecosysteem Het milieu en de daarvoor karakteristieke levensgemeenschappen / Een ecosysteem wordt gevormd door een ruimte waarin levende organismen en dode materie samen functioneren om een uitwisseling van materie te organiseren tussen de levende en niet levende delen. Eroderen Wegslijten van land door wind en water. Erosie Het meenemen - weghalen - van los materiaal door de zee (=abrasie), door rivieren (=fluviatiele erosie) of bewegend ijs (=glaciale erosie). Een speciaal type erosie waarbij vooral de mens als oorzaak kan worden aangewezen is bodemerosie. Oorzaken kunnen zijn ontbossing, afbranden, ploegen op hellingen. Estuarien Betrekking hebbend op een estuarium. Estuarium Riviermonding, daar waar de rivier in de zee uitkomt. De belangrijkste kenmerken van een estuarium zijn de mengeling van zoet en zout water en het bestaan van hoog en laag water. Executieve Regering van een gemeenschap of gewest in België. Externe veilgheidsrisico's Risico’s als gevolg van ongevallen die kunnen plaatsvinden tijdens productie, opslag, verwerking en transport van gevaarlijke stoffen. F Fauna De dierenwereld (van een gebied). Flora De plantenwereld (van een bepaalde regio). Fysieke systeemkenmerken De kenmerken van het estuarium zoals het meergeulenstelsel, het getij en de zandhuishouding. G Gecontroleerd overstromingsgebied (GOG) Onbewoond laaggelegen landsgedeelte langs een tijrivier dat op gecontroleerde wijze wordt gebruikt als overstromingsgebied. Getijde Het afwisselend rijzen (vloed) en dalen (eb) van het zeewater onder invloed van de door de zon en maan uitgeoefende aantrekkingskracht. De snelheid waarmee de getijgolf vanuit zee de Schelde binnenstroomt neemt toe (1930 - 32 km per uur, 1980 - 43 km per uur). Getijderivier Rivier, waarvan de waterbeweging de invloed van de getijden ondergaat. Getuigenheuvel Een getuigenheuvel is in Vlaanderen de benaming voor een heuvel met een bepaalde geologische oorsprong. De vorm van de heuvel is daarbij een aandeuiding ("getuige") voor hoe het landschap er lang geleden uitzag. Geulen Dieper gelegen zones tussen slikken en platen waarin water blijft staan bij laagwater. Gors met zout- en moerasplanten begroeid buitendijks gebied dat alleen bij verhoogd hoog water overstroomt met brak water. Grensmilieu Een afscheiding in het landschap tussen zones, welke van het ene systeem naar het andere gaat. Bij een vage en geleidelijke overgang (gradiënt) van het ene milieu in het andere, treffen we de grootste diversiteit van soorten aan. H Habitat Leefgebied van dieren of planten. Halofyt Plant die op sterk zouthoudende grond kan leven. Hollestelle Een verhoogde drinkput in een lage en, in het algemeen, zoute omgeving. Hollestellen komen voor in buitendijkse (schor)gebieden. I Indicator Term die wel wordt gebruikt voor een plant of dier die aangeeft hoe de kwaliteit van het leefmilieu is. Zo kan het voorkomen van bijvoorbeeld boomkikkers in drinkputten duiden op een bijzonder waardevol ecosysteem. Inklinking De vermindering in dikte van een slappe laag onder invloed van zijn eigen gewicht of dat van bedekkend materiaal. Inklinking treedt vooral op als de slappe laag veel vocht bevat en dit kan afvloeien. Veen en klei vertonen de sterkste inklinking. Inlaag De vochtige strook land tussen de 'echte' dijk (zeedijk) en een reservedijk verder landinwaarts. Inspraak (NL) / Openbaar onderzoek (VL) Naar aanleiding van inspraak door burgers en overheden kunnen er nog wijzigingen worden meegenomen in concept-besluiten. In Nederland volgt na publicaie van de MER, inspraak door burgers en daarna vaststelling door de minister. Vlaanderen kent geen officiële inspraak van de bevolking op de MER, maar een openbaar onderzoek (=consultatie van overheden). Integraal waterbeheer de onderlinge afstemming en gecombineerde aanpak van het beheer van de waterhoeveelheden, van de waterkwaliteit en van het leven in en om het water. Interfluvium Vooral tussen de diepe valleien in bevinden zich hoger gelegen interfluvia. Deze zijn dikwijls cuesta's met oost-zuidoost west-nooordwest oriëntatie. Ze vormen vervlakte terrassen. Inudatie Het onder water zettten van lager land, meestal uit een oogpunt van (militair-strategische) verdediging. Bijvoorbeeld: Land van Saeftinghe in 1584 en1585, Walcheren in 1944. J K Karrenveld Laaggelegen gebied direct achter een zeedijk ontstaan door het afgraven van de bodem ten behoeve van de dijkenbouw. Katadrome vissen Trekvissen die zich voortplanten in zee en opgroeien in binnenwateren. Keersluis Een keersluis is een bijzondere vorm van een waterkering en beschermt het achterliggende gebied tegen de gevaren van storm en hoog water. Om de vereiste veiligheid te kunnen bieden, is elke keersluis uitgevoerd met twee deuren of twee enkele deuren achter elkaar. Kennisgeving (Vlaams) Hierin staat welke alternatieven en welke aspecten zullen worden onderzocht. In Vlaamse projecten heet dit "Kennisgeving", in Nederlandse projecten heet dit document "Startnotitie". In grensoverschrijdende projecten wordt het een gezamenlijk document met de naam "Startnotitie / Kennisgeving. (zie ook Startnotitie) Klei Grondsoort met meer dan 40% slib. Ze ontstaat bij verwering of door de selecterende activiteit van stromend water, dat meestal slechts materiaal van een bepaalde grootte transporteert en bij het verminderen van zijn transporterend vermogen de gronddeeltjes verder meeneemt naarmate ze fijner zijn. Klimaat De gemiddelde weersituatie van een bepaalde streek gedurende een lagere periode (meestal minstens 30 jaar). Met name afwisseling warme en koude perioden (glacialen en interglacialen) zijn van betekenis voor de ontwikkeling van het Schelde-estuarium. Kolenwoud Het Kolenwoud, in Latijnse kronieken Silva Carbonaria genoemd, is de naam van het oerbos dat zich uitstrekte in Gallië vanaf Brabant tot Picardië en eens het middendeel van België bedekte. Het huidige Zoniënwoud, het Hallerbos, het Buggenhoutbos, het Heverleebos, het Neigembos, het Meerdaalwoud, het Kravaalbos en het bos van La Houssière zijn er allen restanten van. Komberging De mogelijkheid voor stromend water om bij opstuwing (door bijvoorbeeld vloed) een 'uitweg' te vinden. Door het vastleggen van rivierarmen met getijde-werking moet eenzelfde hoeveelheid water met een kleinere stroombedding genoegen nemen. Een oplossing om voor meer komberging te zorgen, en dus het gevaar voor dijkdoorbraken te verkleinen, kan ontpolderen zijn. Komgebied Komgebieden izjn van oudsher laaggelegen en natte gebieden die overstromingsgevoelig zijn en zich vóór de bedijkingen kenmerkten als ontoegankelijkee moerasgebieden. Bij hoog water en onder rustige omstandigheden zetten zich hier de kleinste riviersedimenten, zoals kleideeltjes, af. In het noordelijk deel van de Vlaamse Vallei, ten zuiden van de oost-west gerichte dekzandrug, ontstonden veel komgebieden met meren en plassen. Verschillende plaatsnamen verwijzen nog naar deze depressies: Poekmoere bij Eeklo, Moerbeke in de Moervaartdepressie. Kreekrug Lage wal, die zijn ontstaan dankt aan de in en langs de bedding van een kreek optredende relatief sterke sedimentatie en/of ontstond doordat bij de vorming van de kreek ter weerszijden daarvan veenmassa's voor de erosie gespaard bleven en vervolgens door ontwatering of bedekking (of moernering) gingen inklinken. Kronkelwaarden Kenmerkend voor meanderende rivieren zijn kronkelwaarden. Een reliëf van sikkelvormige richels en geulen in de binnenbocht en afkalving van oevers in de buitenbocht van een vrij meanderende rivier. Hierdoor schoof de bedding tijdens elk hoogwater stelselmatig op. Kustpolder De kustpolders bevinden zich landinwaarts van de Zeeduinen en beslaan een brede strook parallel aan de kustlijn. De hoogte varieert van 0 tot 5 meter. Kustwateren oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtsbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater. L Laaglandrivier Een typische laaglandrivier wordt gekenmerkt door een brede, vlakke vallei, waarin de rivier vrij haar loop zoekt, dikwijls door meerdere geulen. Lagune Door een rif of schoorwallen bijna of geheel afgesloten deel van de zee. M Meander Plaats waar de rivier op een natuurlijke wijze een bocht neemt om hindernissen (zoals heuvels) te omzeilen. Voorbeeld van een meander in de Schelde is de Kramp. Meanderen Sterk kronkelen van een rivier of geul. Meergeulenstelsel De Westerschelde bestaat uit een meergeulenstelsel: zowel voor het opkomende als voor het afgaand water zijn er afzonderlijke eb- en vloedgeulen. Tussen deze twee hoofdgeulen in ontstaan zandplaten, zelf doorsneden met een wirwar van kleinere geulen. Bij de aansluiting van de vloedgeulen op de ebgeul, daalt de stroomsnelheid. Hierdoor bezinkt het opgewerveld sediment en vormen ze er ondiepe plekken of drempels. Stroomopwaarts van Antwerpen gaat het meergeulenstelsel over in één enkele geul. Meersen Meersen zijn laaggelegen, vochtige graslanden in de overstromingsvlakte van een rivier. MER Milieu effect rapportage. Voordat grote werken uitgevoerd worden, is een zo'n rapport vaak noodzakelijk. Er wordt onderzocht wat de effecten op het milieu zijn van een omvangrijk project (zoals bijvoorbeeld de Westerschelde Container Terminal of de verdieping van de Westerschelde). Milieu Het complex van uitwendige factoren die zich ten opzichte van het organisme doen gelden. MKBA Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse. Wordt bij grote projecten uitgevoerd. De voor- en nadelen van een project voor de omgeving worden daarbij in geld uitgedrukt, zodat een goede afweging gemaakt kan worden of het project wel of niet door kan gaan.
Monitoringsprogramma Vastgesteld programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen. Morfologie 'Vormleer’, in dit geval de vorm van de bodem van de Schelde en de veranderingen daarin, bijvoorbeeld door waterbeweging en transport van sediment. N NAP (Normaal Amsterdams Peil)
In België gebruikt men TAW (Tweede Algemene Waterpassing) als referentie voor het aanduiden van hoogten. In Nederland is NAP (Normaal Amsterdams Peil) de standaard. Voor het Scheldegebied geldt dat TAW 2.33 m lager is dan NAP.
Nieuwland Polders die onstaan als op- of aanwas. Aanvankelijk als kleine bedijkte delen die bij het oudland werden gevoegd, later (vooral na 1500) volgens plan ontwikkelde en bedijkte grotere gebieden. O Oeverwal Verhevenheid aan de buitenkant van de meanders, onstaan door afzetting van de rivier, telkens deze buiten haar oevers treedt bij overstromingen. Ondiepwatergebied Gebieden waar de diepte van het water is tussen -2 meter en -5 meter N.A.P. Ontpolderen Een poldergebied weer teruggeven aan de zee / zee-arm waardoor het invloed ondergaat van de getijden. Het kan een manier zijn om de komberging van de zee-arm te vergroten en daarmee de kans op dijkdoorbraken te verkleinen. De polder zal veranderen in een nieuw schorren- en slikkengebied. Opnbaar onderzoek (VL) / Inspraak (NL) Zie Inspraak. Oppervlaktewater binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren. Opwas Door sedimentatie ontstaan eiland in een rivier of zeearm. Oudland De gebieden die als eerste bedijkt werden (vanaf ongeveer 1100 na Chr.). Ze bestaan uit lage, natte poelgronden en hoger gelegen kreekruggen. Omdat het getij hier nauwelijks invloed had, waren met name de kreekruggen de eerste bewoonde delen van Zeeland, die tezamen met de poelgronden, omdijkt konden worden. Overgangswater Een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen wordt beïnvloed. P Plaat Een bij normale eb, onbegroeide, droogvallende op- of aanwas die aan de oppervlakte zandig is. Polder In het Schelde-gebied overwegend omdijkte stukken land, gewonnen op de zee/rivier meestal nadat deze door opslibbing een hoger gelegen schor had gevormd. Prehistorie De geschiedenis van de mens vóór het bestaan van geschreven documenten. (In het Schelde-gebied tot de komst van de Romeinen). Q R Regenrivier Een regenrivier is een rivier die volledig wordt gevoed door regen- en of grondwater. Dit in tegenstelling tot gemengde en gletsjerrivieren. Kenmerkend voor een regenrivier is dat de waterstanden sterk kunnen wisselen. tijdens regenperioden is het debiet van de rivier groot, terwijl in (langere) droge perioden de rivier vaak een lage waterstand kent. In Nederland en Vlaanderen komen we met uitzonderingen van de Rijn en haar aftakkingen alleen maar regenrivieren tegen, waarvan de Maas en de Schelde wel de bekendste zijn. De rijn en haar aftakkingen zijn gemengde rivieren,omdat deze rivieren behalve door regenwater, in de Alpen ook worden gevoed door gletsjers. Richtlijnen Randvoorwaarden waaronder de onderzoeken moeten plaatsvinden. Rivierbekken Land dat door een rivier en haar bijrivieren gedraineerd wordt. Het Scheldebekken omvat 21.863km2. Rivierduin Een rivierduin ontstaat door zandafzetting door een rivier. Het droge zand waait op en vormt een heuvel met een eigen biotoop.In de alluviale valleien van de Leie en de Schelde komen lokaal rivierduinen voor, ontstaan in het Laat-Glaciaal tijdens een koude en droger periode. Zo kent men de duinmassieven van Berlare, Heusden en Sint-Martens-Latem. Rivierpolder (ook: zomerpolder) Polder in de uiterwaarden van de rivieren begrensd door de zomerdijk aan de kant van de rivier en landinwaarts door de winterdijk. De zomerkaden bieden wel bescherming tegen de zomerstanden van de rivier, maar niet tegen de hoogste waterstanden in de winter. Deze polders stromen dan vol en maken zo deel uit van het winterbed van de rivier. S Scaldis Oudste naam voor de Schelde genoemd door de Romeinen. Kan afkomstig zijn van het Germaanse ‘Scald’, dat ‘ondiep water’ betekent. Schelde m.e.r.-commissie Gemeenschappelijke commissie die het bevoegd gezag in Nederland en Vlaanderen advies geeft voor het opstellen en vaststellen van richtlijnen. Schor Buitendijks gebied dat alleen bij uitzonderlijk hoog water overstroomt. Geheelbegroeide op- of aanwas. Elders in Nederland ook wel gors of kwelder. Sediment Afzetting; meestal wordt deze term gebruikt als het om een gesteente gaat dat ontstaan is door opeenhoping van uit de lucht of water bezonken materiaal, dan wel door ijs aangebracht materiaal. Sedimentatie Het door bewegend ijs, stromend water of de wind achterlaten van het door deze transporterende media meegenomen los materiaal. Sedimentatie treedt op als de genoemde media niet meer in staat zijn het materiaal verder te vervoeren, wat bijvoorbeeld weer het geval is als hun snelheid vermindert of ze grotere hoeveelheden puin krijgen te verwerken. Slaperdijk Een slaperdijk is een landinwaarts gelegen reservedijk bij een zeedijk, op een plaats waar het risico van dijkdoorbraak groot is. De slaperdijk houdt het water tegen in geval de eerste waterdijk zou bezwijken. Slikken Onbegroeide op- of aanwas van een kustgebied, die bij eb normaal droogvalt en aan de oppervlakte uit enigszins kleiig materiaal bestaat. Startnotitie (Nederlands) Hierin staat welke alternatieven en welke aspecten zullen worden onderzocht. In Nederlandse projecten heet dit document "Startnotitie", in Vlaamse "Kennisgeving". In grensoverschrijdende projecten wordt het een gezamenlijk document met de naam "Startnotitie / Kennisgeving. (zie ook Kennisgeving) Steltlopers Vogelsoort die voedselgebieden vindt op slikken, platen en schorren. Ze eten vooral bodemdiertjes. De vorm van de snavel is aangepast aan de prooi. Met hun lange poten (stelten) kunnen de vogels langer op de zandplaten blijven als het hoogwater wordt. Daarna zullen ze een hoogwatervluchtplaats (vaak karrevelden en inlagen) zoeken om te overtijen. Voorbeelden van steltlopers; scholekster, grutto, wulp, kluut en zilverplevier. Strandwal Door de branding van de zee op een schoorwal gevormde rug die bij eb gedeeltelijk droog ligt. Strandwallen komen voor langs de kust van Nederland. Ze zijn grotendeels ontstaan na het afsmelten van het ijs na de laatste ijstijd. Ze dragen de jonge duinformaties. Landwaarts van deze jonge kustformaties ligt plaatselijk nog een groep strandwallen met lage duinen. Stratificatie Gelaagdheid van een waterkolom door verschillen in zoutgehalte of watertemperatuur. Stroomafwaarts Richting van bron naar monding. Stroomgebied Een gebied vanwaar al het over het oppervlak stromende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in de zee stroomt. De grens van een stroomgebied wordt de waterafscheiding genoemd. Stroomgebiedsbeheersplan Een gericht actieplan dat concreet uitvoering geeft aan de integrale visie op waterbeleid. De maatregelen die nodig zijn om het stroomgebiedsbeheersplan te verwezenlijken worden beschreven in het maatregelenprogramma. Stroomgebiedsdistrict Het gebied van land en water, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met bijhorende grond- en kustwateren. Volgens de Kaderrichtlijn Water is dit de voornaamste eenheid voor stroomgebiedsbeheer. Stroomopwaarts Richting van monding naar bron. T TAW (Tweede Algemene Waterpassing) Het referentievlak in België = N.A.P. -2,33m. Territoriale wateren Wateren grenzend aan een land tot een bepaalde afstand waarbinnen dit land zijn wetten zelf kan bepalen, en waarbij de rechtspraak in zijn bevoegdheid ligt.
U Uiterwaard Een uiterwaard (ook: uiterwaarde en uiterdijk) is het overloopgebied tussen zomerdijk en winterdijk langs een beek of rivier. Het is de ruimte voor de rivier die nodig is om de tijdelijke piekafvoeren te bergen: in perioden van grote waterafvoer lopen de uiterwaarden tot aan de winterdijken onder water. V Veek Aanspoelsel dat bij eb langs de hoogwaterlijn op strand en dijken achterblijft. Verdieping Het dieper maken van de vaargeul in de Westerschelde, zodat de Antwerpse havens voor grotere zeeschepen met meer diepgang onafhankelijk van het tij bereikbaar zijn. In de vaargeul worden met name enkele bodemdrempels weggehaald en scheepswrakken verwijderd. De verdieping beloopt op sommige plaatsen anderhalve meter. Verwilderde rivier Een rivier die zich manifesteert als een vlechtwerk kleine stroompjes, die regelmatig van bedding wisselen. Ze ontstaan als er een onregelmatig debiet is en veel sedimenttransport. Bij veel waterafvoer vult de rivier de gehele bedding. De situatie deed zich in het Scheldebekken voor 30.000 - 15.000 jaar geleden in de laatste fase van het Weichselien. Er ontstaat een brede riviervlakte (Vlaamse Vallei). VIWC Vlaams Integraal Wateroverlegcomité. Vlaamse Vallei De naam van een grotendeels opgevuld rivierdal dat zich uitstrekt ten noorden van Gent tussen Zomergem en Stekene en diepe uitlopers heeft in de huidige rivierdalen van het Scheldebekken (Leie, Schelde, Dender, Zenne, Rupel, Dijle en Demer). Vlaamse Vallei werd uitgeschuurd (tot ca. 25 meter onder huidige zeepeil) tijdens verschillende ijstijden. Vloedbos Bos dat onder invloed staat van zoetwatergetij. Vloeiweide Een vloeiweide (in Vlaanderen Watering genaamd) is een perceel grasland dat men laat onderlopen met een laagje water, teneinde de opbrengst ervan te verhogen. Dit water zal voedselrijk en vaak ook kalkrijk moeten zijn. Vogel- en Habitatrichtlijn Europese richtlijnen uit 1979 (Vogel) en 1992 (Habitat), die zich richten op bescherming van gebieden die vanuit het behoud van vogels en bepaalde leefgebieden van andere plant- en diersoorten een bijzondere status hebben gekregen. W Wantij Draaiing of stilstand in het water, waar twee vloedstromen elkaar ontmoeten. Westerschelde Schelde van de Belgische grens (ca. 500m breed) tot de monding (ca. 5 km breed), totale lengte ongeveer 60 kilometer. Tijverschil = ongeveer 4 meter bij Vlissingen en ongeveer 5 meter bij Antwerpen. Wiel Een wiel ontstaat op de plaats waar een dijk overstroomt of doorbreekt. Het water schuurt achter de dijk een gat uit. Dit gat heet een wiel, waai of kolk. Het door het water opgewoelde materiaal wordt als een waaier rond het wiel uitgespreid en vormt een overslaggrond. Winterdijk De winterdijk is de dijk langs een rivier die bij hoge waterstand overstroming van omliggende gebieden voorkomt. In normale sitiuaties komt het water slechts tot de lagere en dicht bij de rivier liggende zomerdijk te staan. Het gebied tussen zomer- en winterdijk heet de uiterwaarden. X Y Z Zand Voornamelijk uit deeltjes van 50 tot 2000 mu bestaande grondsoort met niet meer dan 20% slib. Door stromend water neergelegd zand vertoont een andere korrelgrootte dan zand dat door wind is vervoerd. Zand is op zichzelf niet erg vruchtbaar, doordat het uit mineralen bestaat, die maar langzaam verweren en verder vrijwel geen voedingsstoffen voor de planten vast en beschikbaar houdt. Het organisch stof- en slibgehalte is dan ook van relatief grote invloed op de vruchtbaarheid ervan. Zeehonden Er zijn in totaal bijna 30 verschillende soorten van dit zoogdier. In het Schelde-estuarium komt de Gewone zeehond (Phoca Vitulina) voor. Sporadisch (in tegenstelling tot vroeger) kan de Grijze Zeehond voorkomen. Voor de Gewone Zeehond is het Schelde-estuarium (met name de Westerschelde) het zuidelijkste leefgebied in West-Europa, op een groep van ongeveer 100 zeehonden in de Bay de Somme in Frankrijk na. Zeeschelde De Schelde tussen Gent (ca. 65 m breed) en de Vlaams-Nederlandse grens (ca. 450 m breed). lengte is ongeveer 100 kilometer. Tijverschil = ongeveer 5 meter bij Antwerpen en 2 meter bij Gent. Ook in de zijrivieren is een tijverschil merkbaar. Zomerdijk Ook wel zomerkade genoemd. Een zomerdijk is een dijk die lager is dan de winterdijk en heel dicht bij de rivier ligt. Bij springtij stroomt het water over de zomerdijk. Zoute kwel Het binnendringen van zeewater via de ondergrond. Zoutgradiënt Ontstaat door vermenging van zoet en zout water in het Schelde-estuarium. Het zoutgehalte neemt van Vlissingen (meer dan 15 gram per liter) af naar Gent (minder dan 0,7 gram per liter) Op basis van deze verschillen kan het estuarium verdeeld worden in een mariene zone (Vlissingen - Hansweert), brakke zone (Hansweert - Rupelmonde) en zoete zone (Rupelmonde - Gent). Verschillen in zoutgehalte fluctueren met de water afvoer. |
Antwoord niet gevonden?
Mail uw vraag naar: mailto:info@scheldenet.nl U krijgt zo snel mogelijk antwoord. |
||||||||||||||||||||