| Droogvallende gebieden | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De droogvallende gebieden zijn onder te verdelen in schorren, slikken en platen. Schorren en slikken liggen langs de randen van het estuarium; platen hebben geen verbinding met het vasteland. De schorren hebben een belangrijke natuurfunctie in het estuarium. Ze dienen als rust- en broedgebied voor vogels en zijn begroeid met meerdere zeer specifieke vegetatiesoorten. De platen en slikken zijn belangrijk als habitat voor bodemdieren en als voedselgebied voor vogels. Het beleid voor droogvallende gebieden in het Beleidsplan Westerschelde is gericht op handhaving op het huidige niveau van het areaal en de natuurwaarden van ondiepe gebieden, intergetijdegebieden en schorren en op het zoveel mogelijk in stand houden van de natuurlijke morfologische dynamiek. Lage plaatdelen bestaan vaak uit gebieden met een sterk beweeglijke bodem die een geribbeld oppervlak hebben, de zogenaamde hoogdynamische mega-ribbelvelden. De hoger gelegen plaatdelen zijn meestal vlak en laagdynamisch. De hoogdynamische delen en de randen van de platen bestaan uit zand en zijn relatief grofkorrelig. De laagdynamische plaatdelen zijn fijnkorrelig en kunnen zowel slibrijk als slibarm zijn. De gemiddelde plaathoogte is een indicator voor de morfologische dynamiek. De hoogte en grootte van de platen zijn namelijk afhankelijk van de beweeglijkheid van de geulen. Indien de geulen minder beweeglijk worden, neemt de morfologische dynamiek af en ontstaat er tijd en ruimte voor de platen om te groeien. Doordat de platen steeds hoger worden komt de vorming van kortsluitgeulen en de daarbij horende versnippering van de plaatcomplexen ook steeds minder voor. Ook dit is een indicatie voor de afname van de morfologische dynamiek van de Westerschelde. Gegevens over arealen geulen, ondiep gebied, platen, slikken en schorren worden verkregen door middel van vaklodingen en luchtfoto’s. Door de onnauwkeurigheid van de lodingen en het over elkaar heen leggen van het dieptegrid en de geometrische kaart, bestaat er een onzekerheidsmarge in de oppervlaktebepalingen van de platen, slikken en ondiep watergebieden van 200 à 300 hectare. In figuur 2 zijn de oppervlaktes ondiep water, slikken, platen, schorren en geulen weergegeven in 1960, 1990, 1996 en 1998. Gekozen is om ook het meetjaar 1960 weer te geven omdat dit de toestand weergeeft vóór de eerste grote verruiming van de vaargeul (’70 - ’72). In de tabel zijn meer specifiek de oppervlaktes platen boven NAP -2 m weergegeven voor 1960 en 1990. Het plaatareaal is tussen 1961 en 1971 vooral uitgebreid in het midden en het oostelijke deel van de Westerschelde (zie Tabel). Na 1971 nam de oppervlakte boven NAP verder toe door een bijna overal optredende verhoging van de platen (zie figuur 3). In de jaren zeventig is vooral in het oostelijke deel het aandeel hoog-dynamische plaatdelen toegenomen. In het middendeel nam in die tijd het aandeel laagdynamische delen af. De veranderingen in arealen die zijn geconstateerd in de periode ‘90-’96 bedroegen afname van het areaal ondiep water (273 ha), afname van het areaal slikken en platen (152 ha) en de toename van het areaal geulen (226 ha) Deze veranderingen vallen overigens binnen de onnauwkeurigheidsmarge, Hierdoor zijn nog geen harde conclusies zijn te trekken. Door de afname van het areaal ondiep water gaat gebied, dat potentieel waardevol is als kinderkamer voor jonge vis en garnaal verloren. De ingezette hierboven vermelde ontwikkeling, bestaande uit een versteiling van het bodemprofiel, met een toename van het geulareaal, grotere en hogere platen, en een afname van het areaal ondiep water en slikken, zet zich na 1996 onveranderd door. Uit het feit dat in het oostelijk en westelijk deel recent een toename is opgetreden van het ondiepwatergebied, blijkt dat morfologische processen op lange termijn geïnterpreteerd moeten worden.
Klik op de figuren voor een groter formaat. Bronnen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||